Gekrabbel.be - Uw literair geknabbel

Naar menu

Verhaal: Aan het meer

Aan het meer

Ik doe zachtjes mijn ogen open. Het is nog steeds donker op de kamer, blijkbaar is het nog nacht. Weeral zo’n slapeloze nacht dus. “Hoe laat zou het zijn?”, vraag ik me af. Ik draai me om, om naar m’n wekker te kijken. Ongeveer kwart na vier. Het is stil op de kamer. Het is altijd stil op de kamer. De slaapkamer ligt achterin het huis, en het huis ligt aan de rand van een bos en aan de rand van een meer. Het gebeurt nauwelijks dat er hier iets te horen is ’s nachts. Meestal als ik niet kan slapen, ga ik naar buiten en zet me op een bankje aan de rand van het meer. Na ongeveer een kwartiertje genieten van het geluid van het water, ga ik dan terug naar binnen om te gaan slapen. De laatste weken doe ik dit bijna elke nacht. Het helpt om in slaap te vallen, om de zorgen te vergeten. Ook vannacht kan ik niet slapen, dus beslis ik ook vannacht naar het meer te gaan. Ik ga op de rand van mijn bed zitten en wrijf even door mijn ogen om wakker te worden. Na enkele seconden te blijven zitten, sta ik recht en verlaat ik de kamer. Heel kort de gang door, om dan in de keuken uit te komen. Ik schuif de deur open, stap naar buiten, en sluit ze weer. Een meter verder voel ik het gras onder mijn voeten. Langzaam wandel ik richting het meer. De tuin bij het huis is een smalle, maar lange tuin. Aan het einde van de tuin heb ik een kleine pier, waar ik ook een klein bootje heb liggen. In de zomer ga ik dan af en toe wat varen op het meer. Het is nu lente, dus nog even wachten op beter weer en ik kan weer gaan varen. En vlak voor de pier met het bootje, staat een bank. De bank waar ik dus wel vaker naartoe ga ’s nachts. Ik ben ondertussen al aangekomen aan het bankje, en zet me neer. “Wat een prachtig zicht toch”, denk ik bij mezelf terwijl ik naar het meer kijk. Elke keer denk ik dat opnieuw. In de verte, achter het meer, is het wat meer bergachtig. En ergens tussen zo’n twee bergen is een klein stadje. ’s Nachts kan je dat stadje heel goed zien van zo ver, omdat er licht brandt. Ik zak wat meer door en sluit mijn ogen. Het geluid van de golven, het geluid van de wind in de bomen, het is hier toch prachtig. Plots hier ik gehoest. Ik open mijn ogen. Er is dus nog iemand in de buurt. Ik draai mijn hoofd en zie Jana afkomen. Haar blonde haar wappert lichtjes achter haar heen. Er is blijkbaar meer wind dan vorige dagen. Ze zet haar neer naast me op de bank en lacht naar me. Ik lach terug. Haar lach was nep, net als de mijne. Aan haar ogen zie ik dat ze geweend heeft. Ik ga er niet op in en leg mijn arm rond haar. Ze legt haar hoofd tegen het mijne en er rolt opnieuw een traan van haar gezicht. “We kunnen er niet onderuit meisje”, zeg ik tegen haar. Even later antwoordt ze “We zien wel hoe het gaat. Misschien is het allemaal zo erg nog niet.”
Door: Arne | 14-09-2009 18:41

Stem

Commentaar van auteur

Niet echt een groot verhaal, maar toch, genoeg om hier te plaatsen vind ik :-)

Statistieken

  • 1 stem(men)
  • 4 unieke ingelogde bezoekers
  • 0 reacties

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie!